De school Ter Bank
De school Ter Bank was in 1971 gestart als een katholieke lagere school voor verstandelijk gehandicapte kinderen tot 14 jaar, die tot 18 jaar de vierde graad konden blijven volgen. De rationalisatie van 1974 beperkte de doelgroep van de school Ter Bank tot kinderen en jongeren met een matig of ernstig verstandelijke handicap. De school kreeg haar definitieve structuur na het KB van 1978 betreffende de typologie en de opleidingsvormen van het buitengewoon secundair onderwijs. Het werd een school voor buitengewoon onderwijs type 2 met twee afdelingen: het kleuter- en lager onderwijs en het secundair onderwijs.
Het buitengewoon kleuter- en lager onderwijs
Na de splitsing van school en internaat bestond de school uit acht klassen, waaronder twee vierde graadklassen. Heel vernieuwend was dat de school zich openstelde voor meisjes, die samen met de jongens in dezelfde klas zaten. de klasindeling was gebaseerd op het ontwikkelingsniveau met gemiddeld 14 kinderen per klas. Voortaan waren er enkel nog lekenleerkrachten werkzaam. Opvallend was dat men de kinderen en jongeren met een ernstig verstandelijke handicap situeerde op het niveau van kleuters. Hun klassen werden "lagere" klassen functionerend op "kleuterniveau" genoemd. Pas later integreerde men deze klassen in het lager- en secundair onderwijs. Toen in 1978 het buitengewoon secundair onderwijs type 2 definitief werd erkend, werd de kleuter- en lagere school een aparte entiteit met een eigen directie. Sinds 1 oktober 1986 neemt J. Wijnants deze functie waar. De vierde graad werd in heel Vlaanderen afgeschaft en dankzij een nieuwe wetgeving konden kleine klasgroepen met een gemiddelde van 7 à 8 leerlingen worden samengesteld. Hierdoor was een meer individueel en gerichter onderwijs mogelijk. Het aantal uren voor paramedici (logopedie,psychomotoriek) verdubbelde, wat betere mogelijkheden bood voor individuele therapieën.
Een van de problemen van de school Ter Bank was dat het oude gebouw sommige ouders afschrikte. Na een grondige renovatie, die in 1991 werd beëindigd, nam het aantal leerlingen sterk toe. Binnen de populatie is de toename van het aantal kleuters, het aantal kinderen met het syndroom van Down (ongeveer 30%) en het aantal kinderen met autisme (ongeveer 15%) opvallend.
Doorheen de jaren zocht men naar aangepaste vormen van onderwijs waardoor de kleuters en lagere schoolkinderen zich binnen hun mogelijkheden zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Het onderwijzend personeel wordt hierin bijgestaan door een paramedisch team van logopedisten, kinesisten, een sociaal verpleegkundige en een kinderverzorgster. In het buitengewoon kleuteronderwijs ligt de klemtoon op het uitbreiden van de taal in een zo ruim mogelijke betekenis, op de zelfredzaamheid wat betreft zindelijkheid en lichaamsverzorging en op de motorische vaardigheden. Ook aan spel, sociale omgang en voorbereiedende schoolse activiteiten wordt ruime aandacht besteed. De methodiek van het ervaringsgericht kleuteronderwijs en de ideeën rond samenwerking met gewone scholen zijn belangrijke recente invalshoeken. Binnen het buitengewoon lager onderwijs wordt nagegaan in hoeverre het kind kan komen tot de typische schoolse activiteiten als lezen, rekenen en schrijven. De computer deed hierbij zijn intrede. Daarnaast komen handvaardigheden, huishoudelijke activiteiten en lichamelijke opvoeding ruim aan bod. Zelfstandigheidstraining, communicatie en socialisatie blijven hun plaats behouden. Afhankelijk van de individuele mogelijkheden -die van kind tot kind sterk kunnen verschillen- wordt een aangepast leef- en leerprogramma aangeboden.
Het buitengewoon secundair onderwijs
Tot 1973 was er in de regio geen school voor buitengewoon secundair onderwijs voor jongeren met een matig of ernstig verstandelijke handicap. Daarom werd op Ter Bank gestart met een proefjaar buitengewoon technisch onderwijs, voorbereidend op het werk in een beschutte werkplaats. Het begon met één klas van tien leerlingen. Mede door de regionale rationalisatie waren er het volgend schooljaar reeds vier klassen. Deze grote stijging van het aantal leerlingen en de andere inhoud van het onderwijs maakten verbouwingen noodzakelijk. In 1975 werden daarom een aantal voormalige leefruimten van het MPC tot klassen, werkplaatsen en ateliers omgebouwd. In 1978 werd binnen het type 2 onderwijs op secundair niveau een onderscheid gemaakt in twee opleidingsvormen. Deze opsplitsing was belangrijk omdat de finaliteit van de leerlingen grondig verschilde. De eisen die in een beschutte werkplaats worden gesteld, konden immers niet door alle leerlingen worden bereikt. Opleidingsvorm 1 bereidt jongeren met een ernstig verstandelijke handicap voor op een beschermd leefmilieu. De klassen tellen gemiddeld zeven leerlingen. Van bij de aanvang koos men voor een livingsysteem. Dit betekend dat in de klas een keuken, een zithoek, een eettafel, een werktafel enz. geïntegreerd zijn. De jongeren kunnen ook gebruik maken van een snoezelruimte en een speel-o theek.
Op inhoudelijk vlak werd een hele weg afgelegd. Zo werd wat betreft Vlaanderen in Ter Bank in 1981 de eerste inventaris gemaakt van de doelstellingen van wat "levensscholing" werd genoemd. Het is een bezinning en een correcte uitwerking van wat er binnen het onderwijs aan jongeren met een ernstig verstandelijke handicap aan bod kan komen om deze jongeren voor te bereiden op een gewaardeerd leven in een beschermd leefmilieu. De doelstellingen van het onderwijs zijn ingedeeld in vijf hoofdrubrieken: - zelfredzaamheid, communicatie via de gesproken en niet gesproken taal, socialisatie en geloofsopvoeding, handvaardigheid en vrije tijdsbesteding, bewegingsopvoeding en psycho-motorische stimulatie. Naargelang de mogelijkheden van de jongeren krijgen deze rubrieken een eigen accent. Doorheen alle lessen wordt zeer veel aandacht besteed aan attitudes en omgangsvaardigheden die de integratie in het maatschappelijk leven bevorderen.
Opleidingsvorm 2 biedt een voorbereiding op het werk in een beschermd arbeidsmilieu en bestaat uit twee fazen. In de eerste faze die uit drie leerjaren bestaat, worden naast algemene sociale vorming eenvoudige technische vaardigheden bijgebracht. De tweede faze omvat twee leerjaren en legt het accent op een arbeidsgerichte vorming die de jongeren technisch en inhoudelijk opleidt voor hun toekomstig werk. Hierin zijn stages in een beschutte werkplaats inbegrepen. Ook hier stond Ter Bank aan de wieg van het uitschrijven van de "raamplannen voor opleidingsvorm 2". De voornaamste aspecten van het eigen leven, het wonen, de vrijetijdsbesteding en het werken werden gebundeld in een programma. De opleiding bestaat uit de volgende onderdelen: - algemene en sociale vorming; arbeidsgerichte vorming; huishoudelijke scholing; bewegingsopvoeding; geloofsopvoeding en muzikale opvoeding.
|