Lager Onderwijs - doelgroep en leerinhouden
Doelgroep
Buitengewoon onderwijs type 2 richt zich naar kinderen en jongeren met een matige tot ernstige verstandelijke handicap. In realiteit vertaalt dit zich in een heterogene populatie van kinderen en jongeren met vaak zeer complexe zorgvragen. De gestage groei van het geïntegreerd onderwijs tekent een verschuiving af binnen de leerlingenpopulatie: de verstandelijke handicap gaat vaker gepaard met bijkomende gedrags- en emotionele problemen of een kinderpsychiatrische diagnose zoals een autisme-spectrum-stoornis.
Binnen het lager onderwijs zien we leerlingen met een matige, ernstige en diep verstandelijke handicap (grens doelgroep niet-schoolgaanden). Deze heterogene populatie vertaalt zich in drie trajecten: de functionele leerklassen (klas Katrien, klas Diane en klas Kristel), de socialisatieklassen (klas Joëlle en klas Maria) en het aanbod voor kinderen met een ernstig tot diep verstandelijke handicap, al dan niet gepaard met een autisme-spectrum-stoornis (klas Kirsten en klas Hilde). Ten slotte is er eveneens op het niveau van het lager onderwijs een zeer geëigend aanbod uitgewerkt binnen de autiklas (klas Veerle).
Leerinhouden
Binnen het lager onderwijs worden de zelfredzaamheids-, communicatie- en motorische vaardigheden verder uitgebreid. Daarnaast komt nog meer nadruk liggen op huishoudelijke activiteiten en het uitbreiden van sociale en communicatieve vaardigheden. De (schoolse) vaardigheden worden steeds aangeboden binnen een functionele context met het oog op de maatschappelijke redzaamheid van onze leerlingen. Crea en handvaardigheid krijgen een meer centrale plaats. De relatie met de leerling en de aandacht voor zijn welbevinden blijven een rode draad doorheen de werking. De ontwikkelingsdoelen type 2 en de uitgewerkte leerlijnen (zoals de leerlijn taal, rekenen en relationele en seksuele vorming) zijn een houvast bij de uitbouw van het pedagogisch aanbod.
|